zondag 23 oktober 2016

Jezus en de zin van het leven

Op de rommelmarkt kocht ik voor 50 cent een boekje: “Brieven aan Marc, over Jezus en de zin van het leven” van Henri Nouwen. Een mij onbekend boekje. Het is uit 1987, dus al bijna 30 jaar geleden geschreven. En gezien de bijna nieuwsstaat van het boekje, heeft de vorige eigenaar er ook niet veel in gelezen. Oude onbekende boekjes lezen is leuk. Soms kom je zomaar voor boeiende verrassingen te staan. Vanavond las ik hoofdstuk 3 over Jezus en mededogen. En het was zo’n hoofdstukje dat je zou willen inlijsten.

Nouwen begint met een foto van een fragment van het Isenheimer Altar, geschilderd door Matthias Grünewald. Op dit fragment is de lijdende Jezus te zien aan het kruis. Jezus is er afgebeeld met een gekweld, uitgemergeld met etterbuilen overdekt lichaam. Het is geschilderd tussen 1513 en 1515 voor de kapel van het ziekenhuis voor pestlijders in het dorpje Isenheim. Nouwen schrijft: “Toen ik het gekwelde, uitgemergelde, met etterbuilen overdekte lichaam van Jezus aan het kruis zag, kreeg ik een vermoeden wat er moet zijn omgegaan in de stervende pestlijders van het ziekenhuis in Isenheim. Hier zagen zij hun God met dezelfde etterende zweren die hun eigen lichaam aantastten en beseften ze met een schok wat de menswording werkelijk betekende. Ze zagen solidariteit. mededogen, vergeving en eindeloze liefde verenigd in deze lijdende gestalte. Ze zagen dat ze in hun doodsangst niet alleen waren gelaten.”



Nouwen vervolgd met te vertellen dat onze natuurlijke reactie om ziekte is te zorgen dat we zo snel mogelijk beter worden. En zelfs al zijn we dodelijk ziek, dan nog is ons ziekbed omgeven van het zo lang mogelijk uitstellen van de dood. Aandacht voor het ziek zijn en sterven zelf is er (relatief) weinig. Nouwen: “Jezus’ houding tegenover lijden en dood is heel anders dan de onze. Voor hem was het een realiteit die hij met open ogen tegemoet ging. Zijn hele leven was zelfs een bewuste voorbereiding daarop. Jezus prijst het lijden en de dood niet als iets waarnaar we moeten verlangen, maar hij spreekt er wel over als iets dat we niet mogen ontkennen, vermijden of wegpraten.”

“Geestelijk leven wordt alleen mogelijk gemaakt door een directe onverzachte confrontatie met de werkelijkheid van het leven. Jezus volgen is je kruis op je nemen en je leven verliezen. En wie zijn leven verliest om Jezus wil, zal het vinden. Het vinden van nieuw leven door het lijden en de dood heen, dat is de kern van het goede nieuws”, aldus Nouwen. “Jezus heeft ons die moeilijke, maar bevrijdende weg voorgeleefd en tot hét teken gemaakt. Degenen die tegen Jezus zeggen: “Meester, wij willen een teken van U zien”, antwoordt Hij met: “Een slecht en overspelig geslacht verlangt een teken, maar geen ander teken zal je gegeven worden dan dat van de profeet Jona. Zoals namelijk Jona drie dagen en drie nachten verbleef in de buik van het zeemonster, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten verblijven in de schoot van de aarde.” (…)
“Hier zie je wat het echte teken is: niet het sensationele wonder, maar het lijden de dood, de begrafenis en de opstanding van Jezus. Het grote teken, dat alleen begrepen kan worden door hen die Jezus willen volgen, is het teken van Jona, die de werkelijkheid ook wilde ontlopen, maar door God werd teruggeroepen om zijn zware taak tot het einde te volbrengen. De bereidheid om het lijden en de dood rechtstreeks onder ogen te zien en ook zelf te ondergaan, in de hoop op een nieuw door God gegeven leven, dat is het teken van Jezus en van ieder mens die een geestelijk leven wil leiden in navolging van Jezus. Het is het teken van het kruis: het teken van lijden en dood, maar ook van hoop op totale vernieuwing.” (…)
“De liefde van God die Jezus ons wil laten zien, wil Hij ons tonen door deelgenoot te worden aan ons lijden en ons zo in staat te stellen het lijden tot een weg naar bevrijding te maken.”

Het lijden als weg tot bevrijding en geestelijk leven. Het klikt niet aantrekkelijk. En voor veel christenen die niet in hun persoonlijk leven veel met lijden geconfronteerd worden, het druk hebben met werk, gezin, geld verdienen en geld uitgeven, staat het misschien ver van hun dagelijks leven. Maar steeds meer ervaar ik dat de enige manier om te leven met pijn en ziekte de weg van het aanvaarden van het lijden is. Het lijden onder ogen zien. Niet ontkennen, niet vermijden, niet voor wegkijken. Maar de confrontatie aangaan met de werkelijkheid van het leven. Het hier en nu. En het zien als een weg tot geestelijk leven. Tot bevrijding. Bevrijding van mezelf. Van mijn theologisch denken. Van mijn weten. De weg naar beneden. Naar loslaten. Leven zonder zekerheden. Samen met de gekwelde, uitgemergelde, met etterbuilen overdekte Jezus. 

zaterdag 15 oktober 2016

Gedachten bij Psalm 42



Ik sta droog, God, gortdroog.

Ik verlang terug naar de tijd van dronkenschap,
toen mijn ziel zich verdronk in Uw liefde.
Toen ik zwalkend van geluk, en overlopend van vreugde,
danste met U. Danste tot diep in de nacht.

Ik sta droog, God, gortdroog.

Ik spreek mezelf vaak toe. 
Kom, neem met minder genoegen.
Is het leven niet goed, zo?
Kom, laat iedereen kletsen 
als ze je vragen naar God.
Jij gaat je eigen weg. 

Ik sta droog, God, gortdroog.

Ik verlang ernaar weer te dansen
Met mijn blote voeten in het gras.
Dauwdruppels die mijn voeten
met koude speldenprikjes tot leven wekken.

Ik verlang er naar te fladderen met de vlinders.
De zonnestralen weer te vangen op mijn huid.
Dronken van liefde te vallen in Uw armen,
terwijl een regenbui mij doorweekt.



Droog sta ik. En ik snak naar water.

Waar bent U dan? Waar?
Heeft U me verlaten? Mij de rug toegekeerd?
Of is het slechts een leegte, 
die me drijft tot zo'n wanhoop
dat ik niets anders kan dan me overgeven.
Me gewonnen geven.
Dan smachten en verlangen
Als nooit te voren?

Leeg ben ik. Volkomen leeg.
Vul me weer met Uw waterstromen.
En ik zal dronken zijn.
Dronkener dan ik ooit was.

zondag 2 oktober 2016

De rugzak


Afgelopen week was het “de week van de pijn”. Een week om meer aandacht te vragen voor mensen die leven met pijn. In het kader daarvan dit blog.


We maakten samen een korte wandeling, een vriend en ik. Opeens keek de vriend me aan: “Je hebt vandaag geen pijn, hè?” Ik vroeg waarom hij dat dacht. “Omdat je met me wandelt”, antwoordde hij. 

Ik begrijp dat het lastig voorstellen is hoe het is om 24-uur per dag pijn te hebben. Wat is dat nu eigenlijk, pijn? En wat kan iemand met pijn wel en niet? Je kent de pijn die je had als je als klein kind op je knie viel. Die is anders dan de spierpijn die je hebt na een te heftige training en weer anders dan de pijn die je hebt als je voet heftig slaapt en je erop probeert te staan of als je een vinger kneust. Pijn is een “ervaringswoord”. En daarom ontzettend moeilijk uit te leggen.

Hoe wordt pijn gemeten? In heb in het ziekenhuis geleerd voor mezelf de pijn een cijfer te geven tussen 0-10. Nul is geen pijn en tien is ondraaglijke pijn. Ik geef mezelf meestal een cijfer tussen de 3 en 7. Verdrinken in mijn pijn (10) doe ik zelden. Mijn tweede bevalling had ik 14 uur weeën en twee uur persweeën. Ik kan je vertellen, twee uur persweeën, dat is echt verdrinken in de pijn. Maar misschien als ik die pijn niet zou kennen, zou ik mijn 7 wel een 9 of een 10 geven. Pijn benoemen is altijd relatief. 



Je hebt vast wel eens spierpijn na een te zware training gehad. Dan voelt je lichaam moe en pijnlijk. Je verdrinkt niet in de pijn, maar je sloft, gaat liever op de bank liggen dan staande het eten te koken of boodschappen te doen. Zo moet je mijn pijn voorstellen. Ik heb altijd een soort zware rugzak* om. Soms zit er één baksteen in, soms twee of drie of zeven. Bij zeven stenen kom ik bijna niet vooruit. Die rugzak hindert me bij alles wat ik doe, of er nu één of zeven stenen inzitten. Of ik nu boodschappen doe of de afwas, of ik nu even lekker op een stoel wil zitten of wil slapen. Het ding zit altijd in de weg. Het maakt moe. Alles wat je doet kost extra energie door die rugzak. En het trekt aan je lichaam. Als je probeert tv te kijken denk je, kan die rugzak niet even af? Als je boodschappen doet, denk je, moet ik nu weer die rugzak meenemen? Als je probeert te slapen zit het ding enorm in de weg en weet je niet hoe je moet liggen. De rugzak op zich is te dragen, maar het ding zit vreselijk in de weg bij alles wat je doet. Je wordt er enorm moe van. Soms is de rugzak echt te zwaar en kom je helemaal niet meer vooruit. En wat je ook probeert, het lukt niet om de rugzak af te krijgen. Soms is de rugzak alleen hinderlijk en vermoeiend. Dan kan ik dus best een stukje lopen of de boodschappen doen of stofzuigen. Maar hoe zwaarder de rugzak op die dag is, hoe meer energie het me kost het te dragen en hoe minder ik kan. En als ik de ene dag te veel doe met die rugzak, is de volgende dag de rugzak loodzwaar (te zwaar) om te dragen en kan ik weinig.

Chronische pijn hebben is leren aanvaarden dat je altijd een rugzak op je rug hebt, die soms zwaarder is en soms minder zwaar. Maar zelfs op goede dagen is die rugzak er. 

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, kan niet alle pijn door pillen en injecties opgelost worden. Zenuwpijn kan slechts 30% tot 50% gereduceerd worden bijvoorbeeld. Maar ook ontstekingspijn spuit je niet meteen helemaal plat. En de pijn die ik heb omdat pezen na zoveel ontstekingen gewoon niet meer willen, daar is gewoon niets tegen te doen. Wat er op de pijnpoli geprobeerd wordt is pijn naar een leefbaar niveau te krijgen. Niet alleen met pillen en injecties, maar ook door te leren er mee te leven en het te aanvaarden.

Leren ermee te leven. Dat is een hele klus. Het heeft te maken met fysieke belasting verminderen: leren je energie te verdelen, pauze te nemen, grenzen te stellen, stress te voorkomen en verstandige keuzes te maken bij je dagindeling. Door warmtepacks te gebruiken, spalken te dragen en lichaamsdelen goed warm te houden. Medicatie hoort hier natuurlijk ook bij. Het heeft ook te maken met geestelijke belasting verminderen: je leren overgeven aan de pijn. Verzet staken en leren de rust te vinden in het hier en nu te leven met de pijn. Mindfulness, meditatie (geef ik persoonlijk vorm in meditatief gebed) en afleiding zorgen er bijvoorbeeld voor dat het gewicht tijdelijk minder voelbaar en beter te dragen is. Dat je tijdelijk even kunt vergeten dat die rugzak zo zwaar is. Het helpt ook om stress te verminderen en daarmee de druk op je lichaam te reduceren. 

Ik verlang er soms zo naar dat iemand die rugzak van mijn rug neemt, maar het enige dat ik kan doen is zorgen dat ik zo min mogelijk last heb van het ding. En het zo goed mogelijk draag. En dat is een enorme frustratie: ik kom er nooit meer van af en de rugzak zal in de toekomst alleen zwaarder worden. Een gedeelte van mijn zenuwen is stuk. Mijn pezen zijn door het vele ontsteken altijd pijnlijk. Zelfs op dagen zonder ontstekingen houd ik die rugzak. En het zal nooit anders worden. Het zou me zo helpen als mensen dat konden begrijpen. Als mensen die onzichtbare rugzak zouden kunnen zien. De vermoeidheid en de frustraties die er bij horen om die rugzak elke dag te moeten dragen. Niet alleen die van mij. Maar van alle chronische pijnpatiënten.


* Natuurlijk gaat de vergelijking niet 100% op, want de rugzak veroorzaakt alleen rugpijn en bij mij zit de pijn op veel meer plaatsen in mijn lichaam, maar het gaat even om een begrijpelijk beeld te schetsen.

maandag 26 september 2016

Vrede

Het is stil. Stil om me heen in huis. Stil op mijn blog. Stil in mijn hoofd ook.
Vredig stil. Het is al weer een jaar geleden dat ik er een tweede diagnose bij kreeg. Na een jaar van onderzoeken. Van hot naar her gestuurd worden. Onderzoek na onderzoek. En nu zit ik thuis. Ik doe wat in het huishouden. Elke dag een uurtje. Ik doe niet meer zoals gewend veel boodschappen in één keer met de auto, maar loop elke dag mijn rondje over het dorp naar de plaatselijke supermarkt voor een paar boodschapjes. Ik lees veel. Fröbel wat. Slaap 's middags een uurtje.
Het voelt als een verloren strijd. En tegelijkertijd voelt het als of ik gewonnen heb. Want ik heb iets terug, dat ik de laatste jaren kwijt was geraakt in al het strijdgewoel: vrede.

Als je de vijand niet kunt verslaan, zul je vrienden moeten worden. Dat is waar ik het afgelopen half jaar hard aan gewerkt heb: mijn ziekten omarmen. Ik heb vrede gesloten. Met mezelf. En met mijn ziekte. Ik ben gestopt me te verzetten. Ik kon het niet winnen. Hoeveel pillen, dokters, gebed en fysiotherapie ik ook deed. Ik kon het niet winnen. Dus was er nog één optie over: vrienden worden.

Vrienden worden met je vijand. De Bijbel spreekt ervan. Heb je vijanden lief. Je broeder liefhebben is niet zo moeilijk, maar je vijand liefhebben, dat is een ware uitdaging. Nee, Jezus doelt niet op ziekte. Jezus doelt op mensen om je heen. Toch, is Jezus wijsheid me zeer behulpzaam bij het leren omarmen van mijn ziekte.

Het lijden omarmen, dat zal veel - met name charismatische/evangelische- christenen niet prettig in de oren klinken. Ziekte wordt gezien als van de duivel. Iets wat niet thuishoort in Jezus Koninkrijk. Ziekte moet daarom weg, in Jezus naam. Maar met die gedachtegang kwam ik niet verder. Dan is er de reformatorische weg: zowel het goede als het kwade komt van God. We hebben het te dragen op weg naar de eeuwigheid. We leven tenslotte voor de eeuwigheid.  De eeuwigheid geeft ons troost en hoop en weegt tegen al het lijden op. Ook daar kwam ik niet meer verder mee. Hoe moest ik 24 uur per dag pijn gaan dragen de komende, misschien wel, 40 jaar? Moest ik dan 40 jaar lang elke dag zeggen: ik leef voor later? Hoe zou me dat helpen de pijn te dragen? Het zou me misschien troosten, maar de fysieke pijn dragen, daar helpt het niet echt bij. Maar wat dan?

Ik ontdekte een derde weg. Niet zo bekend als de eerste twee. Het is een meer mystieke weg. Ik begon oude en nieuwe (christelijke) mystici te lezen. De mystieke weg is de weg van het niet-weten. Van het leven dragen in het hier en nu zonder een antwoord te hebben, maar voluit vertrouwend op God. Een God die je nooit ten volle zult kennen, maar wel voluit kunt beminnen. Ik las over eenzame kluizenaars en kloosterlingen, die een weg van lijden gingen en hun eigen lijden daarbij vereenzelvigden met het lijden van Christus. Juliana van Norwich bijvoorbeeld. Ze leefde in de 14e eeuw en kreeg 16 visioenen van Christus. Ze schrijft hoe ze in het lijden Jezus zeer na komt en hoe zijn liefde haar boven het lijden uittilt. En Alijt Bake. Ze leefde in de 15e eeuw. Ze ontdekt de innerlijke weg van Christus liefhebben. De leiding van het klooster meent dat er tekenen en wonderen moeten zijn als uiting van “echt geloof”. (Nee, er is niets nieuws onder de zon ;-) ) Maar zij ontdekt dat de innerlijke weg mooier en hoger is (in haar ogen in ieder geval) en dat die weg je alles geeft om eenzaamheid en lijden te dragen. Johannes van het Kruis (16e eeuw) beschrijft de donkere nacht van de ziel. Hij vertelt hoe mensen als ze net christen worden, gevoed (willen) worden door wonderen en tekenen, door verhoorde gebeden en heel veel halleluja. Maar dat er een tijd komt dat dat weg zal vallen en dat dat de tijd is dat je “ontledigd” wordt. Dat aardse zaken één voor één minder voor je gaan betekenen en dat je een innerlijke weg met God zult gaan. “Lichamelijk nergens zijn, betekent geestelijk overal zijn.” En dan is er nog Teresia van Avila (ook 16e eeuw). Zij noemt het de “innerlijke burcht”. De weg naar binnen. Ontdekken dat je ziel verankerd is met God. Dat Hij in je woont. “Mijn God, ik hoef niet naar de hemel op te klimmen om met U te spreken en bij U mijn vreugde te vinden. ik hoef mijn stem niet te verheffen om met U te praten. al fluisterde ik heel zacht, Gij hoort mij al: want Gij zijt in mij, ik draag U in mijn hart.” 

De derde weg. Leven in het hier en nu, met je lijden, en zoeken naar een innerlijke weg. Henri Nouwen schreef er dit over: "Optimisme is een radicaal andere houding dan hoop. (…) De optimist heeft het over tastbare verbeteringen in de toekomst. Wie vanuit de hoop leeft houdt het bij het hier en nu, in het vertrouwen dat het leven in goede handen is. (…) Zonder precies te hoeven weten hoe die toekomst eruit ziet." 
Leven in het hier en nu. Het is een kunst. Vooral als je geconfronteerd wordt met lijden. Maar het is niet nieuw. Ik merk hoe geïnspireerd ik raak door oude (en nieuwe) schrijvers. Thomas á Kempis, Thomas Merton, Jacqueline van der Waals, Frère Roger van Taizé, Henri Nouwen. De stille weg naar binnen, die ons leert lijden te dragen door geestelijk "overal” te zijn, dichtbij het hart van Jezus. Misschien is het wel een weg waar je pas echt tijd en oog voor hebt, als deze zich noodgedwongen voor je opent. Een weg die je leert in eenzaamheid  door het lijden te gaan. 

Ik dacht pas aan mijn lievelingsraam in de kerk. Het raam over Lucas 15:3-7, de 100 schapen. Die ene die verdwaald was, wordt gevonden en in de nek van de herder gelegd. Ik hield er pas een preek over en liet het raam aan iemand zien. En wat me nog nooit opgevallen was, zag ik nu. Dat de herder het schaap aan zijn hart gedrukt heeft. Niet in zijn nek. Als we avondmaal hebben, wil ik altijd zo aan de tafel zitten dat ik dat raam kan zien. Dichtbij Jezus. Dichtbij Zijn hart.


Ik zou er nog veel meer over kunnen schrijven. Over willen schrijven. Ik heb zoveel mooie en inspirerende oude en nieuwe verhalen gelezen de afgelopen weken. Er is nog één ding dat ik nu over deze verhalen wil zeggen. Het zijn verhalen van mensen over hun Godservaringen. Godservaringen, Godsmomenten zijn persoonlijk. En je spreekt er aarzelend over. Juist omdat ze een ongekende intimiteit bezitten. Omdat ze buiten het taalveld vallen. Omdat voor God geen woorden zijn. Omdat ze vaak in stilte plaatsvinden. En woorden niet de juiste lading hebben. 

Ik sluit dit te lange en tegelijkertijd veel te korte blog af met de woorden van Jacqueline van der Waals. Ook zij leerde door het lijden heen dicht aan Jezus hart te leven. Haar woorden klinken misschien passief. Voor mij getuigen ze van een gewonnen strijd. Het leven met het lijden kunnen omarmen in diep vertrouwen.

Ik denk niet, ik vraag, redeneer niet,
Omdat ik het toch niet versta;
Ik voel, dat Uw oog op mij neerziet,
Mij volgende, waarheen ik ga.

Ik voel, dat de Heer aan mijn zij gaat
Met vriendelijk vertroostend gezicht,
En als Zijne liefde mij bijstaat,
Dan valt ook het moeilijkste licht

maandag 29 augustus 2016

Verlangen

Ik had een gesprek vandaag. Meestal ben ik de vragensteller en zit tegenover me de pastorant. Dit keer was het omgedraaid. 
"Wat is er nog over van je geloof?”, vroeg mijn gesprekspartner. Ik moest er diep over denken. Er is genoeg over van mijn geloof, denk ik. Ja, gelukkig kan ik dat zeggen. Het zit diep. Diep verankerd in mijn ziel.

Ik dacht aan de keren dat ik Jezus heel dichtbij ervoer. In mijn beleving, mijn denken, mijn spirituele wereld, of welk woord je er ook aan wilt geven, werden Hij en ik altijd één. Die eenheid met Jezus, met God, die is mijn  houvast op dit moment. De wetenschap dat ik een deel ben van het grote mysterie van leven, lijden en sterven. Van God. Hoe je Hem ook wilt noemen of omschrijven. Ik denk dat het Hildegard van Bingen was die het beeld van de zee en een waterdruppel gebruikte. Als een druppel in de zee komt, is er geen onderscheid meer te maken tussen de druppel en de rest van de zee. Zo verlang ik dat God in mij is en ik in God ben. Ik zing vaak Psalm 42: Als een hert dat verlangt naar water, zo verlangt/smacht mijn ziel naar U. Mijn ziel die gehecht is aan God en God die zich onlosmakelijk verbonden heeft met mijn leven. 



“Ben je bang het geloof kwijt te raken?” Het was een vraag waar ik nog dieper over na moest denken. Nee. Nee, ik ben niet bang het kwijt te raken. Als ik God kwijt zou raken, zou ik mezelf kwijt raken. Dan zou ik het grote geheim kwijt raken van een God die in mij is en ik in Hem. Ik zou het geheim kwijtraken van mijn leven. Ik zou het licht kwijtraken en de verwondering. Nee, God raak ik niet kwijt. God zij dank.


Zingen

Vervreemdend zijn de klanken
van 't eens vertrouwde lied.
-zou iemand het bemerken-
mijn stem zingt niet, wil niet.

Ze zoekt naar nieuwe klanken,
om in te kunnen baden,
een woordeloos zacht lied
met liefde overladen,

een dans, een melodie,
om aan te kunnen warmen,
zachtjes te omarmen,
en dan naar binnen stromen

om nooit meer los te laten
-een druppel in de zee-
en niet meer te praten,
alleen nog maar te zijn

vol rust, vol van alles
of misschien juist van niets.
Zo’n lied, dat wil ik zingen,
En dan niets meer zeggen,

alleen nog dansen.


zaterdag 20 augustus 2016

Stilte

Het houdt me de laatste tijd erg bezig: wie of wat is God? Misschien klinkt het wat diepgaand en niet als een vraag die je gemiddeld bezighoudt in de zomervakantie. Ik heb gemerkt dat dit soort vragen je bovenmatig bezighouden op momenten in het leven dat het lijkt als of je de grip kwijt raakt. Momenten waarop je houvast zoekt en het niet lijkt te vinden. Het was voor mij een zomer waarin ik veel nagedacht heb. 

Verhuizen

Nadat ik vorig jaar een tweede diagnose kreeg en het trappenlopen steeds moeizamer ging, besloten we te verhuizen. Voor mij. We vonden een prachtig huis in het winkelstraatje in ons dorp. De winkels en kerk op een steenworp afstand. Ruimte om wat aan huis te werken, zolang ik nog wat werken kan. Ruimte voor een slaapkamer en douche beneden, als het nodig is. Met maar één trap, waar ook nog een traplift mogelijk is. Hoe het ook verder gaat, we kunnen er oud worden en ik blijf er mensen zien.

Grip kwijt

Het voelt steeds meer als of ik de grip op mijn eigen lichaam kwijt ben. Dat voelt eng. Onzeker. Handen die dingen laten vallen, voeten die hun stappen onzekerder zetten. Energie die soms al op is na het ontbijt en de boodschappen. Een lichaam waar ik niet meer van op aan kan. 
De vanzelfsprekendheid waarmee we -als we gezond zijn- op ons lichaam vertrouwen, herken ik ook in het geloof. Als het leven tamelijk vlak is, met hier en daar een up en hier en daar een down, dan is geloven ook een redelijke vanzelfsprekendheid voor mensen die gelovig zijn. Het is een betrouwbare metgezel. Je hoeft er niet te veel over na te denken. Je neemt de dingen zoals je ze aangeboden krijgt. Je voert misschien wat dogmatische discussies om je eigen standpunten goed te verankeren. De juiste leer lijkt dan misschien erg belangrijk. Maar met het veranderen en onbetrouwbaarder worden van mijn lichaam, ervaar ik ook een verandering in mijn geloof. Het brengt diepe vragen en gedachten mee. De dingen die ik altijd als vanzelfsprekend aannam, worden onzekerder. Dogma’s en de leer onbelangrijker  Eenvoudige zinnetjes als “God is goed” en “God zorgt altijd voor je” en “God is een liefdevolle Vader”, krijgen een nieuwe, andere lading. Ze zijn niet zo vanzelfsprekend meer. Ze klinken te makkelijk. Ze matchen niet meer met mijn leven. Ze voelen te weinig doordacht, te weinig doorleefd.


Op zoek naar nieuwe woorden

Ik merk dat langzaam een nieuw vocabulaire in me ontstaat. Een vocabulaire dat niet heel veel mensen verstaan. Maar wel diegene die ook op dit punt in hun leven geweest zijn. Van wie het geloof de vanzelfsprekendheid verloor en plaats maakte voor een niet-vanzelfsprekend geloof. Een geloof dat niet gebouwd is op simpele one-liners, maar op lange stiltes en diepe gedachten. 

Ik denk de laatste tijd vaak terug aan de sterfbedden waar ik aan zat als geestelijk verzorger. Van eenzame mensen, verslaafde mensen, gebroken mensen. Daar kon ik niets met mooie, christelijke woorden. Ik heb ze ook nooit gebruikt. Ik hield handen vast, wreef ze warm, was stil, huilde mee, was er namens Hem. En dat was genoeg.  Ik heb het gevoel dat ik God er vaak ontmoet heb, daar aan die sterfbedden, in de stilte van de donkere, vieze kamertjes. Niet die “makkelijke” God van eenvoudige slogans, maar een God van weinig woorden die er is. Een God van lange stiltes. 



Ik zoek de laatste tijd naar woorden. Woorden om iets over God te zeggen. Wie Hij is. Waar Hij is. Zo makkelijk als het vroeger ging, zo worstel ik nu vaak om de juiste woorden te vinden. Lange denkpauzes en diepe stiltes vullen mijn gedachten. Ze vullen mijn hart. Mijn wezen. Mijn zijn. Mijn ziel. Het is of ik een andere taal ben gaan spreken en God ook. Zoveel woorden als ik vroeger had, zo weinig heb ik er nu. Het voelde eerst onwennig. Onzeker. Maar langzaam maar zeker begin ik er meer vrede mee te krijgen.

Wie is God?

Wie God is? Ik weet het niet. Het voelt als of ik weer bij nul moet beginnen. Dat ik alle zekerheden overboord moet gooien. Het is eng, want ik ga de weg alleen. zoals ik de weg van ziek-zijn en steeds minder kunnen ook alleen zal moeten dragen. Ik ervaar steeds meer hoe ziek-zijn een eenzame weg is. Lang kon ik nog gedeeltelijk meedoen met gezonde mensen, maar het wordt steeds moeilijker. En ik kan ook niet meer zo makkelijk meedoen met de geloofsbeleving van gezonde mensen, merk ik. God gaat voor mij veel dieper dan de one-liners waar mensen me -goedbedoeld- mee proberen te troosten. Het is alsof woorden God “doodslaan”, Hem lam leggen. Als of mensen steeds de heilige stilte verbreken door er hun goedbedoelde, maar verstikkende woorden op te leggen. Het voelt als of ik opnieuw moet leren leven, opnieuw moet leren ademen. Dat ik moet leren om God te ademen. Woordenloos. In stilte. En mag weten dat het goed is.

maandag 8 augustus 2016

Het wonder

Gisteravond gingen mijn man en ik een stukje wandelen. Het is belangrijk voor me te blijven bewegen, ook al gaat het moeilijk. Ik houd zo van de stilte, de natuur, van wind, wolken en zonsondergang, van vogels die kwetteren en kikkers die springen. Dus 's avonds probeer ik vaak nog een klein stukje te lopen op een mooie plek en maak graag wat foto's. Zo ook gisteravond. Mijn man reed me met de auto naar een stiltegebied waar ik nog nooit eerder geweest was. Het was zo mooi. Een uitgestrekt waterrijk gebied, waar geen mens was. Alleen vogels. De lucht was bewolkt, maar onder de bewolking brak zonlicht door. De zonnestralen maakten de lucht een kleurrijk en imposant schouwspel. En zo liepen we een klein stukje en probeerde ik het licht te vangen in foto's. De grootheid van lucht en licht was overweldigend. Toen viel mijn oog op een klein slakje. Niet groter dan het topje van mijn vinger. In het licht. In het groen. Het gleed geluidsloos over een blaadje. De grootheid van de lucht en de kleinheid van het slakje. De tegenstelling kon niet groter. Maar beide waren perfect in harmonie. 






De afgelopen jaren zocht ik God vaak in Zijn grootheid. Dokters gaven me geen hoop op genezing. Ik werd "gedumpt" in de pijnkliniek. "Gedumpt", zo voelde het. Een kapot lichaam, dat niet gerepareerd kon worden. "U bent een hopeloos geval". Het idee dat ik met deze (toenemende) pijn en afnemende fysieke kracht misschien nog 40 jaar moest leven: ik kon het niet meer verdragen. God moest me helpen. Hij kon het tenslotte. Het lijkt geen verkeerde gedachte, maar het werd mijn eigen gevangenis. Het ontnam mijn adem, mijn levensruimte. Ik kon God alleen nog ontdekken in het imposante en overweldigende. Een wonder moest mijn redding worden. Ik kreeg het steeds benauwder. Wist tenslotte niet meer hoe ik moest ademen. 




Toen kwam het moment dat ik besefte dat ik moest gaan leven. Dat ik opnieuw moest gaan leren ademhalen. Misschien wel heel letterlijk. Bewust worden dat ik leef. Dat ik me niet meer moest laten leiden door het grote en imposante, maar door het kleine. Het "kleine" dat de meeste mensen over het hoofd zien. Het wonder van het bestaan. Ademhalen. Ik leerde naar de stilte luisteren en daar God te vinden. "Silence is the language of God. All else is poor translation." zegt Rumi. Ja, de stilte is me heilig geworden. Daar komen Gods grootheid en onze kleinheid in balans.


Het slakje deed me beseffen dat ik weer leef. Dat ik weer kan ademen. Met volle teugen. Dat ik God kan ademen. Dat ik niets groots nodig heb om dichtbij God te zijn. Ik hoef slechts te ademen. In en uit te ademen. Te leven. Te weten dat ik besta. En dat "God is". Die prachtige naam van God: "Ik ben". Wat een heerlijke rust. Overweldigend.